Menu

🔍

9 adviezen over de kunst van het ouder worden

Tegen de avond van je leven is het tijd voor verdieping, aldus Jung. Ga niet zitten klagen, zei Aristoteles.

1. Plato: Ervaar de bevrijding

Volgens Plato (428-347 v.Chr.) komt wijsheid met de jaren; ouder worden leidt tot verdieping, rijping en innerlijke verrijking. Daarom zouden de oudere, wijze burgers de leiding over de stad moeten hebben. In de Politeia, Plato’s boek over de ideale staat, gaat Socrates in gesprek met de oude Kefalos, die vertelt dat de ouderdom hem heeft bevrijd van het verlangen naar seks, rijkdom en bezit: ‘Het is beslist een feit: wanneer je eenmaal oud bent geworden, word je door die emoties tenminste niet meer gekweld. Dat geeft een gevoel van bevrijding en er komt een grote vrede over je. Wanneer die seksuele spanningen afnemen en hun greep op je verliezen, betekent dat precies zoals Sophocles zegt dat je van een enorm aantal dictators, waanzinnige dictators, bent verlost.’

2. Aristoteles: Praat niet te veel

De doorgaans optimistische Aristoteles (384-322 v.Chr.) was onverdeeld somber over de ouderdom. De oudere medemens is in het algemeen bang, zwak, wantrouwig, laf en praatziek. In zijn Retorica neemt Aristoteles de verschillende levensfasen door. De jeugd is onbezonnen, maar goedmoedig en goedlachs. De jongvolwassene is in de bloei van zijn leven en beschikt over het juiste zelfvertrouwen. Bij ouderen slaat het gevoel voor humor om in de neiging tot klagen. Ze praten veel, maar erg interessant is het allemaal niet: ‘Ze denken iets, maar weten niets, zeggen in hun twijfel overal “wellicht” en “misschien” bij, en doen al hun uitspraken onder dit of dat voorbehoud, geen enkele volmondig. [...] Wat hun nog van het leven rest is kort en wat voorbij is lang. Dit verklaart ook hun praatziekte: ze houden niet op over het verleden.’

3. Cicero: Gebruik je inzicht

In zijn essay Over de ouderdom verzet de Romeinse staatsman Cicero (106-43 v.Chr.) zich tegen het verlangen om per se jong te blijven. De ouderdom heeft zo zijn eigen kwaliteiten, aldus Cicero. Je lichaamskracht neemt weliswaar af, maar ouderen zijn door hun ervaring en inzicht zeer geschikt om leiding te geven — zelfs in het leger kunnen ouderen een uitstekende rol vervullen. ‘Niet door kracht, vaart of handigheid worden de grote taken verricht, maar door beleid, gezag en inzicht. Deze drie hoedanigheden raakt een oudere mens niet alleen kwijt, meestal maakt ouderdom ze zelfs nog rijper en sterker.’

4. Petrarca: Blijf actief

Het wordt tijd om je carrière af te bouwen en plaats te maken voor de jeugd, oppert Boccaccio in een brief aan zijn vriend Petrarca (1304-1374). Maar de Italiaanse dichter, schrijver en humanist is beslist niet van plan om het op zijn oude dag rustiger aan te doen. In zijn antwoord schrijft Petrarca: ‘Als ik rust neem en het langzaamaan ga doen, ben ik voordat ik het weet dood.’

5. Montaigne: Geniet nog intenser

Michel de Montaigne (1533-1592) definieerde de kunst van het ouder worden als het leren accepteren van het onvermijdelijke: de aftakeling van het lichaam en het aanvaarden van de dood. Als je erin slaagt om hiermee om te gaan, zul je op latere leeftijd intens kunnen genieten. ‘Juist nu ik zie dat mij nog maar zo weinig dagen resten, wil ik dat mijn leven meer gewicht krijgt; ik wil de snelheid waarmee het mij ontvliedt tegengaan door er even prompt greep op te krijgen, de vaart waarmee het vervluchtigt compenseren door er intensief van te genieten. Hoe korter tijd van leven ik heb, des te dieper en voller moet ik het maken.’

6. Goethe: Heb vertrouwen

De Duitse dichter, schrijver en wetenschapper Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) genoot van het ouder worden; tot op hoge leeftijd schreef hij nog veel en was hij erg ac-tief. Hij voelt zich bevrijd van de verplichtingen van het wer-kende leven en heeft eindelijk tijd om te genieten en kan rustig tijd nemen voor vrienden. Vat je hebt meegemaakt, weet je te waarderen, het meest door de denkende en naden-kende mens op hoge leeftijd; hij voelt vol vertrouwen en welbe-hagen dat niemand hem dat kan afpakken.’

7. Schopenhauer: Doorzie het bedrog

De pessimist Arthur Schopenhauer (1788-1860) was zo somber over het leven dat hij van het ouder worden vooral de voordelen zag: aan het einde van het leven zie je in hoe kort, onbenullig en ondraaglijk ons bestaan eigenlijk is. Met het ouder worden word je verstandiger, maar verlies je ook een aantal illusies. Van de grote verwachtingen en de grootse plannen waarmee je begon is meestal niet veel meer over. Het leven, zegt Schopenhauer, is als een gemaskerd bal: ‘Te-gen het einde van het leven gaat het werkelijk toe als bij de sluiting van een gemaskerd bal, als de maskers worden afge-nomen. […J Je komt gaandeweg aan de weet wat je waard bent.’

8. Jung: Verdiep je in jezelf

De Zwiterse psychiater en psycholoog Carl Gustav Jung (1875-1961) vergelijkt de levensloop van de mens met de opkomende en ondergaande zon: opkomend in de ochtend, fel schijnend en met een groot bereik in de middag, en langzaam verzwakkend tegen het einde van de avond. Hij constateert dat mensen van rond de veertig, vijftig meer neurotisch gedrag gaan vertonen: sommigen worden fanatieker, anderen juist milder. Daarom raadt Jung iedereen aan om zich ter voorbereiding op de tweede levensfase in zichzelf te verdiepen: ‘Voor de oudere mens is het een plicht en noodzaak zich ernstig te verdiepen in zijn zelf. De zon trekt haar stralen in om zichzelf te belichten, nadat ze haar licht verspild heeft aan de wereld.’

9. Heschel: Beschouw ouderdom als een overwinning

De Amerikaanse rabbijn en spiritueel leraar Abraham Joshua Heschel (1907-1972) bestrijdt het idee dat ouderdom een ziekte is. Een hoge leeftijd is niks om je voor te schamen, stelt Heschel: al die jaren vormen een overwinning. Beschouw ouderdom niet als straf, maar als voorrecht. ‘Je zou aan de ouderdom moeten beginnen op de manier waarop je aan je laatste jaar op de universiteit begint, vol opwinding uitziend naar de bekroning. Wie op jaren is heeft overzicht, heeft van zijn mislukkingen geleerd en is in staat zich van vooroordelen te ontdoen, niet meer koortsachtig zijn belangen na te streven. Hij is opgehouden in elk medemens iemand te zien die hem in de weg staat en ziet het leven niet langer als een concurrentiestrijd.’

De citaten zijn afkomstig uit: De kunst van het ouder worden. De grote filosofen over ouderdom, door Joep Dohmen en Jan Baars (red.), uitg. Ambo, Amsterdam 2010, 424 blz., € 29,95