Menu

🔍

Ouder worden maakt deel uit van het normale leven

Jan Baars is Bijzonder Hoogleraar Interpretatieve Gerontologie aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht en doceert Wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg. Het nieuwe ouder worden is het resultaat van het onderzoek dat hij sedert 2001 te Utrecht uitvoert.

Dit belangrijke boek biedt inzicht in de maatschappelijke gevolgen van het langer leven: de levensverwachting is in de laatste 150 jaar verdubbeld. Het beweegt zich op het gebied van de wijsbegeerte en de sociale gerontologie. Het is hoofdzakelijk een theoretisch boek, bedoeld voor lezers die in beide vakken enigszins thuis zijn. Het gaat om fundamenteel onderzoek. Men verwachte geen praktische adviezen, wel enige richtlijnen inzake beleid. Helaas ontbreekt een broodnodige index.

De titel mag niet misverstaan worden. Het gaat om het nieuwe ouder worden van ouderen. Natuurlijk wordt iedereen elke dag een dagje ouder, ook baby”s. Maar Baars gebruikt de term “ouder worden” om aan te geven dat het hier niet gaat om een toestand waarin ouderen zich zouden bevinden (het ouder zijn) maar om een proces (het ouder worden), dat bovendien nog moet worden onderscheiden van het biologisch proces van het verouderen.

Ook de illustratie, de Herfst van Giuseppe Arcimboldo, mag niet tot een misverstand leiden. Naast dit schilderij, samengesteld uit oogstproducten, is er ook nog een Winter, met een harde noot om te kraken, verdroogde takken, een zure citroen en verstikkend klimop. De benadering van het ouder worden als een doorlopend proces betekent echter dat er geen essentieel verschil bestaat tussen de herfst en de winter des levens.

Waar gaat het nu over? In de ondertitel staat “leven in de tijd”. Het zijn vooral de beschouwingen over de menselijke tijd die de ruggengraat vormen van Baars” boek. Hoofdstuk 1 heet: Het regime van de klok een leven lang. Daarin verzet hij zich tegen de “gemeten tijd” als zijnde een ongeschikt instrumentarium voor ouderenbeleid. Hij legt uit hoe deze chronologische tijd, die het best geschikt is om te berekenen, de levenslooporganisatie van de moderne mens (zeg maar man) is gaan bepalen. Daaraan verbindt hij de onderwaardering van de zorg, die vooral door (vaak allochtone) vrouwen en oudere vrijwilligers wordt verleend. Ook Rawls” rechtvaardigheidstheorie blijkt sociaal tekort te schieten.

Met dit als achtergrond vertrekt Baars van de paradox van de steeds jonger wordende oudere, het onderwerp van hoofdstuk 2. Met een knipoog naar Loesje zouden we kunnen zeggen: aan het einde van zijn maatschappelijk leven houdt de oudere nog een aantal jaren over. Merkwaardig genoeg zijn daar steeds meer jaren bijgekomen, evenveel aan het begin als aan het einde van die periode. Dit is duidelijk het gevolg van die levenslooporganisatie: vanaf een steeds jongere leeftijd wordt er niet meer geïnvesteerd in bijscholing. Een tweede paradox knoopt hierbij aan: hoe ouder we worden, hoe jonger we willen blijven. Zo worden de ouderen weliswaar uit het maatschappelijk leven geweerd, maar bezig gehouden met spannende activiteiten, hapklare avonturen en bestookt met allerlei verjongingsproducten als consumenten van de anti-verouderingsindustrie.

Hoofdstuk 3 behandelt het centrale thema van ouder worden als leven in verschillende tijden. Hier worden gedachten uit het eerste hoofdstuk uitgewerkt en uitgebreid naar de conclusie van hoofdstuk 5, dat “Perspectieven” heet. Hoofdstuk 4 is een historisch intermezzo, dat teruggrijpt naar Cicero”s benadering van de ouderdom en hedendaags gerontologisch onderzoek dat daarbij aansluit: voortgaande ontwikkeling bij ouderen, wijsheid en ouder worden, ontstaan van nieuwe mogelijkheden uit verliezen. Het gevolg is dat er nogal heen en weer wordt verwezen van hoofdstuk 3 naar 5 en andersom, hetgeen het lezen niet vergemakkelijkt. Aan de hand van Augustinus (versus Aristoteles), Husserl en Heidegger breekt Baars een lansvoor het recht op de geleefde en beleefde tijd. Deze subjectieve tijd staat niet los van de chronologische, maar hij kan er niet van worden afgeleid. De gevaren van een instrumentele tijdscultuur worden nogmaals onderstreept: Hannah Arendt helpt begrijpen dat zorgtaken niet kunnen worden versneld zoals dat in een productieproces kan. Tenslotte blijken verhalen over en in het ouder worden een grote rol te kunnen spelen in het zich bewust worden door de oudere van zijn persoonlijke identiteit. Baars gaat dieper op dit onderwerp in aan de hand van De Toverberg van Thomas Mann. Hij besluit dat “leven in de tijd” wel herhalingen kent en dus gedeeltelijk beheersbaar is, maar voor een belangrijk deel onvoorspelbaar en verrassend blijft.

Hoofdstuk 5, Perspectieven dus, opent met het gedicht Dagwerk van Ellen Warmond, elders in dit nummer afgedrukt. Het bezingt de mogelijkheden die de toenemende kwetsbaarheid aan ouderen biedt om meer tot de essentie door te dringen, beter om te gaan met oude kwetsuren, open te staan voor wat nieuw is en rust te vinden in het verliezen van zekerheden. Hier komt de auteur tot de kern van zijn betoog: het ouder worden is geen pathologisch gebeuren, tegengesteld aan het “normale” leven, maar het maakt er deel van uit. Ja, de oudere staat dichter bij de dood, zijn kwetsbaarheid neemt toe, maar kwetsbaarheid is inherent aan het menselijk bestaan (en is zelfs dramatischer bij jongeren). Alle levensfasen en levenssituaties worden door eindigheid gekenmerkt en hebben een onherhaalbare waarde, zo ook de ouderdom. Baars omschrijft dit proces met het uit het neocalvinisme afkomstige neologisme zich vereindigen: zich met concrete personen, activiteiten, relaties en plaatsen verbinden. Dit is een proces dat we deels ondergaan maar deels ook vorm geven. Dat leidt tot een steeds toenemende differentiatie, die de mogelijkheid schept tot verdiepende uniciteit, en ervaringsrijkdom van ouderen. Niet alles is dus kommer en kwel. Een voortdurende groei in ervaring en competentie blijft mogelijk in de specifieke domeinen waarin ouderen zich hebben verdiept en blijven verdiepen. Bovendien ontwikkelen ze waardevolle competenties in de dagelijkse omgang met problemen en beperkingen die op hun weg komen. Ook kunnen ouderen, door hun verhoogde beleving van de algemeen menselijke vereindiging, hun sensitiviteit voor het andere verdiepen en dus in zekere zin loskomen van de tijd.

Over de auteur

Dr. Paul Mercken doceerde geschiedenis van de wijsbegeerte aan de Universiteit te Utrecht en ontwikkelde na zijn werkzaam leven een bijzondere belangstelling voor gerontologie en intergenerationele processen.