Geron - december 2010
Boekbespreking: De kunst van het ouder worden, een filosofische bloemlezing
Paul Mercken
De samenstellers van 'De kunst van het ouder worden' willen een tegenwicht bieden aan de eenzijdige benadering van de stijgende levensverwachting in budgettaire termen door na te gaan wat er in de geschiedenis van de filosofie over ouderdom te vinden is. Ouder worden is immers van alle tijden. En zij hebben dan ook de hele historische canon doorplozen. Het lijvige boek is bedoeld voor de nieuwsgierige lezer die bereid is deze oogst in vertaling tot zich te nemen.
MEER DAN OEFENING IN STERVEN
Daarbij is enige kennis van de geschiedenis van de filosofie behulpzaam, want de samenstellers stellen zelf vast dat een groot gedeelte van de canon wel gaat over de dood, maar dat de diepgang en variëteit van beschouwingen over het ouder worden tot in de moderne tijd nogal beperkt zijn. Tot dan toe heeft men voornamelijk nagedacht over het ouder worden in de marge van de moraal en levensbeschouwing. Ouder worden wordt dan een les in het accepteren van waar men geen controle over heeft. Zolang het zwaartepunt van het denken over de levensloop in het hiernamaals ligt, dat is in de joods-christelijke traditie, is de ouderdom voornamelijk een oefening in het sterven. De latere teksten, uit de periode waarin men in steeds grotere mate ziekte en ouderdomsverschijnselen kan controleren, zijn buitengewoon lezenswaard. Voornamelijk de twee speciaal voor deze bundel geschreven artikelen, door respectievelijk Jan Baars, een der samenstellers (Ouder worden: leven in verschillende tijden), en Frits de Lange (De laatste generatie: babyboomers en de horizontale samenleving) vatten de koe bij de horens.
GROTE GEESTEN
De ondertitel zou misschien beter kunnen luiden Grote geesten over ouderdom, want niet alle teksten zijn van filosofen. De lijst begint met fragmenten van prefilosofische Griekse lyrische dichters: Mimnermus, Sappho en de inderdaad ook als wijsgeer erkende Solon. Er zit ook een mooi verhaal uit de Metamorfosen van Ovidius bij. De meeste teksten zijn echter van bekende filosofen, al zijn de erin uitgesproken gedachten niet altijd oorspronkelijk.
Een mooi voorbeeld hiervan is het begin van het vertoog van Cicero, dat de argumentatie van Plato in de persoon van Socrates van enkele bladzijden ervoor op de voet volgt. Cicero is dan ook niet bekend om zijn oorspronkelijke ideeën, maar als iemand die de gedachten van voornamelijk de Stoa in mooi Latijns proza weet te verspreiden. Van Montaigne, die ook erg uit de Antieke literatuur en wijsheid put, hoofdzakelijk weer de Stoïcijnen, bewonderen we wel zijn persoonlijke insteek.
OMVANGRIJK
Het boek omvat teksten van 54 auteurs. Baars en De Lange zijn reeds genoemd. Van de overigen krijgt Cicero, die evenals Simone de Beauvoir een heel boek aan de ouderdom heeft gewijd, het leeuwenaandeel: 21 pagina's. Een boekenrol uit de Oudheid is echter maar een fractie van een modern boek. Toch kan Cicero dienen als de samenvatting van een hele cultuur.
Twaalf auteurs mogen verder bogen op 10 tot 12 pagina's. In chronologische volgorde: Dante, Petrarca, Montaigne, Kierkegaard, Schopenhauer, Jacob Grimm, Jung, Robert Nozick, Sandra Lee Bartky, Margaret Urban Walker, Frank Schirrmacher en het duo Peter Caws en Julia Glahn. Bartky en Walker zijn gekende feministische ethici, Schiermachers tekst komt uit zijn bestseller, Het Methusalemcomplot. Tien auteurs krijgen 8 à 9 pagina's: Seneca, Marcus Aurelius, Marcilio Ficino, Rousseau, Nietzsche, Heidegger, Guardini, Jean Améry, Sirnone de Beauvoit en Bernard Williams.
De inleiding doorloopt de vijf secties: Oudheid, Middeleeuwen en Renaissance, Moderne Tijd, Twintigste Eeuw en Hedendaagse Auteurs. Zij geeft aan welke lessen de lezer kan trekken uit de voornaamste schrijvers en plaatst de geselecteerde teksten in het brede kader van hun denken.
ARISTOTELES NIET ZO ZUUR
Toch komt een kenner van de geschiedenis van de wijsbegeerte niet helemaal aan zijn trekken. Het zijn namelijk niet zozeer de citaten die inzicht geven in wat de grote wijsgeren over ouder worden hebben gedacht, maar de manier waarop die gedachten in hun systemen of denkmethoden zijn geïntegreerd. De Ethica Nicomachea (EN) van Aristoteles moge als voorbeeld dienen. In de inleiding lezen we: 'In principe zou de deugdethiek van Aristoteles een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan een goed onderbouwde visie op het ouder worden.' Dat is ook zo en die deugdethiek is in de EN terug te vinden. Deugden zijn volgens Aristoteles karakterdeugden die het midden houden tussen uitersten en die in de jeugd door gewoonte en onder dwang worden aangeleerd, dan wel intellectuele deugden, zeg maar wetenschap en moreel inzicht. Tot deze laatste zijn alleen volwassenen in staat. Deugden zijn bekwaamheden en het geluk bestaat niet daarin, maar in het beoefenen van die bekwaamheden. Deugden zijn dus een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor het geluk. In dit kader beperkt het ouder worden met zijn zwakheden dat beoefenen, bijvoorbeeld van de dapperheid in de oorlog. Toch is een deugdzame oudere potentieel veel gelukkiger dan een corrupte. Die is namelijk reddeloos verloren want hij zal nooit een deugdzame handeling kunnen stellen als hij die deugd niet bezit.
De inleiding gaat hieraan voorbij en stelt dat Aristoteles alleen negatieve karaktertrekken aan ouderen toeschrijft en vraagt zich dan afwaarom. Maar de tekst van Aristoteles die in het boek is opgenomen komt niet uit de EN. In een later artikel in het Tijdschrift voor Humanistiek (2009/4) vraagt Joep Dohmen zich zelfs uitdrukkelijk afhoe Aristoteles toch tot die 'laatdunkende generalisaties' in zijn EN kan zijn gekomen. Die komen echter uit het korte citaat over jeugd en ouderdom van boek III van zijn Retorica.
Het is onjuist Aristoteles af te schilderen als zijnde 'zo zuur over ouderen.' Die indruk vind je niet in de EN, al geeft de filosoof er zijn lezer wel de waarschuwing in mee dat het niet alleen jongeren zijn die niet uit zichzelf deugdzaam zijn, maar dat dit ook ouderen kan overkomen, namelijk als ze geen goede opvoeding hebben genoten.
De uitgave van dit volumineus werk is goed verzorgd. De teksten zijn voor de helft speciaal voor dit boek vertaald. De vertalingen zijn over het algemeen vlot leesbaar. Alleen de vertaling van Seneca komt wat stroef over.
OVER DE AUTEUR
Paul Mercken is doctor in de wijsbegeerte en humanist. Hij houdt zich ondermeer bezig met maatschappelijke vraagstukken, in het bijzonder in de directe leefomgeving, en met zingeving.
Jan Baars, Ph. D. --- info@janbaars.nl







