Menu

🔍

Voordat je eindigt op de schroothoop van het leven

Blijft de AOW-leeftijd op 65 jaar of wordt het 67 jaar? Geen politieke discussie van de laatste weken gaat voorbij aan het ouder worden. Is 70 jaar een mooie leeftijd om zelf over je eigen dood te mogen beslissen? De voornaamste ethische discussie van de laatste maanden ging over ouder worden. Lopen de kosten van de verzorgingsstaat nu echt uit de hand? Eindeloos veel medische discussies van de laatste jaren gaan over ouder worden. En toch schrijven de filosofen Joep Dohmen en Jan Baars in hun onlangs verschenen bloemlezing ‘De kunst van het ouder worden’ dat filosofen het thema van het ouder ‘overgeslagen lijken te hebben.’

Hebben al die filosofen dan werkelijk nooit nagedacht over ouder worden? “Deze vraag,” zegt gerontoloog en filosoof Jan Baars, “vormde het begin van onze zoektocht”. Die  tocht resulteerde in een pil van 500 bladzijden, waarin zij filosofische fragmenten bijeenbrachten over de betekenis van ouder worden. Is het ons laatste station voor de dood? Biedt de ouderdom juist de mogelijkheid het leven intenser te ervaren? Of proberen ouderen met alle macht jong te blijven?

“U somde net een aantal recente discussies op,” zegt Jan Baars, “Maar ziet u wel wat voor soort discussies dat zijn? Als wij spreken over ouder worden, gaat het bijna altijd over de economische of biologische kant van ouder worden. Zinvol nadenken over de betekenis van ouderdom is vrijwel afwezig, zowel in de huidige discussies, als in de geschiedenis van de filosofie.”

Door intensief speurwerk konden Dohmen en Baars in dit boek wijsgerige fragmenten bijeenbrengen die vaak voor het eerst gepubliceerd worden. “Als je deze teksten naast elkaar legt valt vooral de hulpeloosheid op ten opzichte van lichamelijke klachten. Tot ver in de negentiende eeuw was de angst voor ouder worden zo groot omdat men overgeleverd was aan hetgeen men overkwam. De medische revolutie, die begin negentiende eeuw begon, heeft die hulpeloosheid doen afnemen. Prachtig natuurlijk. Maar wij kunnen nog wel wat leren van onze premoderne voorgangers: doordat veel ziektes onder controle zijn, zijn onze verwachtingen van medici altijd hooggespannen, met als neveneffect dat ons acceptatievermogen veel slechter ontwikkeld is dan vroeger. Veelgehoord voorbeeld daarvan is dat patiënten steeds vaker agressief reageren wanneer hun kwaal ongeneeslijk blijkt.”

“Vergelijk dit met de levenshouding van de Franse filosoof Michel de Montaigne (1533-1592), die zo hevig leed aan nierstenen dat hij bloed plaste en toch schrijft: ‘Mijn geest zegt dat het voor mijn eigen bestwil is dat ik nierstenen heb: bij gebouwen die zo oud zijn als ik is het iets natuurlijks als het dak gaat lekken.’ De niersteen, schrijft Montaigne, maakt hem vertrouwd met de naderende dood, en daardoor dwingt de steen Montaigne na te denken over het einde. De niersteen ‘confronteert je op een en dezelfde dag met een leven dat nu eens uitbundig, dan weer niet te harden is. Ook al omhels je de dood niet, je schudt hem toch minstens een keer per maand de hand.’”

Aan de ene kant de agressieve patiënt, aan de andere kant Montaigne. Wat betekent deze verandering?

‘Bij de premoderne mens was het eindige leven uiterst onzeker. Dat is een van de redenen waarom men zich richtte op de eeuwigheid. Maar veel moderne mensen is de eeuwigheid ontglipt, met als gevolg dat ons eindige bestaan het enige is waar we nog ons aan kunnen vastklampen. Dat vastklampen gaat dan ook gepaard met controledrift, met als extreme uitwas het geweld waar broeders van ziekenwagens mee te maken krijgen; men eist onmiddellijke reparatie. Hier is het verlangen naar controle en maakbaarheid uit de hand gelopen.’

Als de eeuwigheid je ontglipt is, is het logisch dat je aan dit leven hangt.

‘Je zou je kunnen trainen in meer respect en aandacht te hebben voor eindigheid.’

Hoe?

‘In mijn bijdrage aan de bundel stel ik dat we, om onze eindigheid beter te kunnen accepteren, ons leven meer moeten gaan zien als een proces van vereindiging.’

Stilzitten en nadenken over ons naderende einde.

‘Integendeel. Ik zou eindigheid juist niet alleen willen identificeren met sterfelijkheid. Alle situaties in ons leven zijn eindig, al lijken ze soms permanent te zijn. Het gaat erom de waarde daarvan ten volle te beleven en het besef dat ze voorbijgaan kan daartoe bijdragen. In dit boek schijf ik dat vereindiging betekent “dat het leven niet aan ons voorbijgaat, maar dat we er actief in participeren vanuit het besef dat de eindigheid niet betekent dat het leven slechts kortstondige schijn is. Integendeel, het leven gaat voorbij, en is juist daarom van het grootste belang.”’

Lukt u dat zelf ook, vanuit die vereindiging naar het leven te kijken?

‘Nu ik ouder word, lukt me dat beter dan vroeger. Zo ben ik er altijd onbewust van uitgegaan dat sommige mensen er altijd zouden zijn. En ineens zijn ze er niet meer. Als ik me sterker bewust was geweest van die eindigheid had ik het contact meer diepgang kunnen geven.’     

Nu ik ouder word, zegt u. U bent 63, is dat oud?

‘De Duitse priester, theoloog en filosoof Romano Guardini (1885-1968) stelde een halve eeuw geleden al dat de levensvorm van de jongere de norm bepaalt (zie inzet). Dat is alleen nog maar sterker geworden. In onze samenleving wordt oud gedefinieerd door de arbeidsmarkt. Mensen boven de veertig, vijfenveertig zijn oud. Als zij hun werk verliezen, heten ze op de arbeidsmarkt ‘oudere werkloze’. In die zin ben ik stokoud. De definitie van wat oud is, is afgelopen jaren sterk vervroegd, sterk naar voren opgeschoven.’

Terwijl je, uitgaande van onze fysieke gesteldheid, zou zeggen dat die naar achteren is opgeschoven.

‘Dat is de paradox van het nieuwe ouder worden: we leven langer maar worden eerder oud. We leven in een cultuur die hangt aan wat jong is en nieuw. Kunstenaars boven de dertig zijn al oudere kunstenaars. Degenen die ons door hun bonusjacht de huidige financiële crisis hebben ingeloodst, zoals Jerome Kerviel of de ‘traders’ van Bear Stearns waren ambitieuze twintigers en dertigers.

Valt daar wat tegenover te zetten?

‘Onze houding tegen de ouderdom is een serieus probleem in onze cultuur. We spreken over de betaalbaarheid van voorzieningen, maar weten geen betekenis meer te geven aan de ouderdom, wij sturen ouderen naar de schroothoop van het leven.’

Zelf  zou ik op een bank willen gaan zitten om urenlang van bloeiende stokrozen te genieten.

‘Dat is het idee van de sprookjesverzamelaar Jacob Grimm (zie inzet). Wij hebben in ons boek een tekst opgenomen van de Oost-Duitse filosoof Ernst Bloch, die naar Grimm verwijst. “Voor Grimm,” schrijft Bloch, “heeft doofheid zelfs het voordeel dat overbodig gepraat en nutteloos gezwam niet meer storen.” Maar, zegt Bloch, dit is het ideaalbeeld van de biedermeiertijd, de kleinburgerlijke cultuur. “De oudere die in de avondkoelte op de bank bij zijn huisdeur zit en de balans van zijn leven opmaakt en verder niets: die trek van de wensdroom van Grimm is zowel economisch als inhoudelijk uit de mode.”’

Wat zou inhoudelijk wel wenselijk zijn?

‘Er is in onze tijd een groot verschil tussen mensen in vrije beroepen en mensen in loondienst. Afgelopen week stond er interview in NRC met de schrijver Remco Campert. Hij is bijna 81 en wordt nog gedreven door werkdrift en levenslust. Hetzelfde geldt voor iemand als Bernard Haitink. Beoefenaars van vrije beroepen werken meestal gewoon door, wat als groot voordeel heeft dat zij zichzelf doelen blijven stellen.

We hebben verschillende teksten opgenomen die over dat doel gaan. Bijvoorbeeld van de psychoanalyticus Jung (zie inzet). Zijn denken is zeer spiritueel, als hij over doelen spreekt, heeft hij het over doelen die voorbij dit leven gaan. Ik denk inderdaad dat het voor goed ouder worden belangrijk is doelen te stellen die verder gaan dan de eigen horizon. Dat kunnen ook goed seculiere doelen zijn, zoals ook de Franse filosofe Simone de Beauvoir (zie inzet) zegt: politieke verantwoordelijkheid nemen, zich inzetten voor ontwikkelingslanden, voor ecologische problemen, voor hulpbehoevenden.’

Lijken me zaken die voor een gewone volwassene toch ook van belang kunnen zijn?

‘Die heeft er meestal geen tijd voor. De huidige globalisering jaagt onze activiteiten op; wie constant op zijn qui vive moet zijn, heeft geen tijd voor lange termijndoelen.’

Zouden ouderen hier een tegenwicht aan kunnen bieden?

‘Bloch zegt: “Verlangen en het vermogen geen haast te hebben, het essentiële te zien en het onbelangrijke te vergeten: dat is het wezenlijke ‘leven’ in de ouderdom. ” Goed ouder worden betekent voor mij dan ook niet iets nieuws, maar eerder de mogelijkheid om een verdiepte aandacht te schenken aan wat je bezighoudt. Dat kan doordat er minder prestatiedruk is. Je hoeft geen inkomen meer te generen, de condities zijn daar gunstig voor. Ouder worden is mijn leven blijven leiden. En dat is toch wat anders dan op de schroothoop van het leven te belanden.’

Joep Dohmen & Jan Baars: De kunst van het ouder worden; de grote filosofen over ouderdom; uitg. Ambo; isbn 978 90 263 2256 3; 479 blz; 29,95

De grijsaard zou van dankbaarheid vervuld moeten zijn dat het hem vergund was voort te gaan tot aan de laatste levenstrede; hij moet dus niet klagen en jammeren dat de ouderdom nadert. Hij kan nu met stille weemoed achteromkijken en na de zwoele dag in de verkwikkende koelte van de avond op een bankje bij zijn huisdeur zijn leven overzien.

(Jacob Grimm)

Ik heb namelijk gezien dat een doelgericht leven in het algemeen beter, rijker, gezonder is dan een doelloos leven, en dat het beter is met de tijd in voorwaartse richting mee te gaan, dan tegen de tijd in achterwaarts.

(Carl Gustav Jung)

Om te voorkomen dat de ouderdom een lachwekkende parodie wordt op ons voorgaande leven, bestaat maar één mogelijkheid, een doel blijven nastreven dat zin geeft aan ons leven: zich inzetten voor mensen, groepen van mensen, een actie, sociaal, politiek, intellectueel, scheppend werk. Het is, dwars tegen de raad der moralisten in, te hopen dat de hartstochten op latere leeftijd voldoende sterk blijven om te voorkomen dat we in onszelf keren.

(Simone de Beauvoir)

De hedendaagse mens heeft in verregaande mate vergeten, wat ouderdom in wezen is. Hij heeft dit begrip vervangen door een vaag beeld van verder leven. De levensvorm van de jonge mens blijft daarin als norm bestaan. 

(Romano Guardini)