Menu

🔍

Levenskunst op hogere leeftijd

Wij missen een cultuur van goed ouder worden

De meeste actuele verhalen over ouder worden zijn beleidsmatig, medisch of sociaalwetenschappelijk. Onlangs verscheen de vuistdikke bloemlezing De kunst van het ouder worden. De grote filosofen over ouderdom onder redactie van Jan Baars en Joep Dohmen (Universiteit voor Humanistiek). Wat hebben de filosofen over de ouderdom te vertellen? Waartoe kunnen zij ons vandaag inspireren?

Het is eigenlijk gek, maar in de loop van de geschiedenis zijn er maar twee boeken over ouderdom geschreven door filosofen, De senectute van Cicero (44 voor Christus) en het prachtige La vieillesse (1970) van Simone de Beauvoir. Beide boeken zijn vertaald als De ouderdom en hebben door hun leesbaarheid de tand des tijds glansrijk doorstaan. Verspreid over meer dan 2000 jaar verschenen bovendien een aantal stevige tractaten over ouder worden, onder meer van Seneca, Montaigne, Schopenhauer en Jacob Grimm. Ten slotte ligt er in allerlei moraalgeschriften een ware schat aan filosofische opmerkin­gen over ouder worden verscholen. Wat zijn de grote lijnen die wij nu in deze geschiedenis kunnen onder­scheiden? Vanuit een idee­historisch perspectief kunnen tenminste drie accenten gelegd worden in het denken over ouder worden:

  • de overgang van een levenskunstperspectief – ouder worden, hoe doe je dat? -  in de klassieke Oudheid naar een christelijke levenshouding, die inzet bij Augustinus en sterk gericht is op onthechting en vergeestelijking
  • de overgang naar een moderne houding van beheersing en controle sedert Descartes
  • ten slotte de overgang naar een laatmodern, existentieel perspectief, waarin ouderen geacht worden op hun eigen manier oud te worden.

Daarnaast zien we een aantal dominante, elkaar regelmatig afwisselende thema’s zoals metaforen van de ouderdom, de dood als classic, pessimisme versus optimisme, het verband tussen tijd en identiteit, het onderscheid tussen de mannelijke en de vrouwelijke levensloop, de vraag naar de samenhang van ons leven, en ten slotte het thema van de levenskunst.

Van het ouder worden vinden we allerlei treffende verbeeldingen, zoals het binnen­halen van de oogst, het strijken van de zeilen of het naderen van de eindstreep. Montaigne maakt er geen punt van dat hij last heeft van nierstenen, want op oudere leeftijd krijg je nu eenmaal ‘een lekkend dak’. De ouderdom wordt vaak vergeleken met wijn die naarmate de jaren verstrijken beter of slechter wordt van kwaliteit. Jacob Grimm: ‘Net als oude wijn worden bejaarden makkelijk zuur, maar niet elke oude wijn verzuurt.’

De dood

Van Plato tot en met Heidegger en De Beauvoir is er veel nagedacht over de dood. Waarom was er voorheen minder belangstelling voor het ouder worden en meer aandacht voor de dood? Een belangrijke reden was dat de dood veel meer dan tegenwoordig op alle leeftijden toesloeg en daarmee een belangrijke rol speelde in elk denken aan de toekomst. Over het ouder worden zelf lopen de meningen sterk uiteen: van extreem somber, via berustend en aanvaardend naar opgewekt tot uiterst vitaal. Scepsis over de ouderdom als een periode van fysiek verval en mentale aftakeling is van alle tijden. In zijn Ethica Nicomachea geeft Aristoteles een vernietigend oordeel over ouderen. Volgens hem ‘denken ze iets, maar weten ze niets.’ Dat komt omdat ze in hun eigen leven zoveel stomme fouten gemaakt hebben en intussen zo vaak bedrogen zijn. Ouderen zijn kwaad­aardig, achter­dochtig en wantrouwig, omdat het leven hen diep vernederd heeft. Hun gekanker is pure wraak over alle vernedering. Na Aristoteles leggen ook De La Rochefoucauld, Rousseau en vooral Schopenhauer bittere getuigenissen af over het ouder worden. De Franse moralist De La Rochefoucauld: ‘De ouderdom, dat is de hel voor de vrouw!’ Hoe ouder hij wordt, hoe meer Rousseau eraan twijfelt of zijn leven niet volkomen mislukt is. Schopenhauer gaat nog een stap verder: ‘Als je jong bent en er wordt aan de deur geklopt, denk je: “ha, wie zal dat zijn?” Als je oud bent en er wordt aan diezelfde deur geklopt, denk je: “…Wat krijgen we nou?” Ouder worden is een gestaag proces van desillusionering. Ons leven lijkt volgens Schopenhauer op een gebor­duurde lap. Gedurende het eerste deel zie je het glanzende borduursel, de tweede levenshelft kijk je aan tegen de onderkant. De ouder wordende mens ontdekt het boerenbedrog van de wereld: geluk bestaat niet.

Positieve geluiden

Je zou bijna levensmoe worden als er niet andere grote denkers waren opgestaan die een veel positievere voorstelling van zaken geven. De Romeinse denker Cicero breekt juist een lans voor de ouderdom. Hij verzet zich tegen de aristo­cra­tische moraal van eer en strijd. Ouder worden is volgens hem een eigen levensfase met eigen specifieke kwaliteiten. Oudere mensen worden weliswaar geleidelijk fysiek zwakker, maar hun wijsheid en gerijpte oordeel maakt hen uitermate geschikt voor bestuur en beleid. Elk ouder wordend mens doet er goed aan de schat aan eigen ervaringen te koesteren en de verworven levenswijsheid verder uit te bouwen. Twee­duizend jaar geleden stak Cicero al de draak met die mensen die zonder enig zelfrespect uit alle macht ‘jong’ willen blijven, dat wil zeggen onervaren, onwetend, onbesuisd, kortom: begin­nelingen. Laten de ouderen liever proberen een lichtend voorbeeld te zijn voor de jeugd. Bovendien zijn ouderen zeer geschikt en graag bereid om te zorgen voor anderen. Dat is een opwekkend geluid in een tijd waarin ouderen in de media niet zelden afgeschilderd worden als demente sukkels en zorgbehoeftigen.

Andere denkers die een positief beeld schetsen zijn Seneca, Petrarca of Montaigne, maar de ware pleitbezorger van het goed ouder worden is  zonder twijfel de Duitse romanticus Goethe. Ouder worden was een feest voor de tachtigjarige Johan Wolfgang. Goethe studeerde en reisde nog op hoge leeftijd, zocht graag het gezelschap van jonge mensen op – vooral van vrouwen – en maakte indruk op hen met zijn humor en kennis. Kijk, zo’n voorbeeld stemt aanmerkelijk hoopvoller dan het gemor van al die piskijkers. Natuurlijk was Goethe niet blind voor de gebreken van de oude dag, maar hij is vastbesloten om datgene wat hem mocht toevallen op dezelfde manier als veel andere dingen te ervaren en te doorgronden: “Wat je hebt meegemaakt, moet je weten te waarderen, het meest als  nadenkend mens op hoge leeftijd’. Voor Goethe betekende ouder worden, in navolging van Cicero, een nieuwe fase met eigen mogelijkheden. Eindelijk is hij vrij van de meeste dwalingen uit zijn jeugd. Hij voelt zich bevrijd van de verplichtingen die het werkzame leven aan hem oplegde. Eindelijk kan hij tijd vrijmaken voor zijn vrienden en met hen genieten van de investeringen die hij eerder in zijn leven gedaan heeft. Ook als tachtigjarige bleef Goethe op zoek naar nieuwe perspectieven op de wereld en naar nieuwe mogelijkheden om zichzelf uit te drukken.

Goethe was een typische representant van het romantisch expressivisme. Dit gedachtengoed werkt via Nietzsche, Kierkegaard en de existentialisten van de twintigste eeuw sterk door op onze hedendaagse ervaring van ouder worden. De oproep luidt: ‘word wie je bent.’ Ouder worden betekent dat wij geen garanties hebben voor een eeuwig voortbestaan. Het betekent ook dat er geen blauwdruk bestaat voor de invulling van onze levensloop. We zullen die zelf moeten uitvinden. In zijn veelgelezen boek Het nieuwe ouder worden (2006) beschrijft Jan Baars, een van de grondleggers van de kritische existentiële gerontologie, de zogenaamde ‘paradox van de steeds jongere oudere’. In onze dynamische marktmaatschappij worden mensen op steeds jongere leeftijd als oudere of zelfs ronduit als oud bestempeld. Tegenwoordig ligt de grens al rond de 40 en die lijkt almaar verder omlaag te gaan. Tegelijk worden steeds meer mensen dankzij de verbeterde levensomstandigheden steeds ouder. Dat betekent dat we tegenwoordig in principe van ons 40e tot ons 85e jaar ouder zijn. Hoe gaan wij dan om met deze tweede levenshelft? Hoe stellen wij ons dat eigenlijk voor: het nieuwe ouder worden? 

Eeuwig jong

In onze westerse cultuur zijn veel mensen eerst en vooral ziende blind. Ze kijken weg van hun eigen ouder worden en willen liefst eeuwig jong blijven. De markt die feilloos inspeelt op dat verlangen naar jeugdige schoonheid is inmiddels nauwelijks meer te overzien. Bovendien is er de hoop op de medische wetenschap en medische technologie die ons zo lang en goed mogelijk gezond en sterk probeert te houden. Met die hoop is op zichzelf niets mis, ware het niet dat zij de ware aard van het probleem verhult: we zijn bang voor de dood.

Intussen missen wij een brede cultuur van goed ouder worden. We hebben geen agenda voor onze tweede levenshelft, en rommelen ons zo goed en zo kwaad als het gaat naar het einde. Maar dat is geen levenskunst. Levenskunst betekent allereerst onder ogen zien dat we eindige en kwetsbare wezens zijn en dat betekent afscheid nemen van dat dwaze ‘forever young’. Jong zijn is een beginneling zijn en je kunt alleen een gevorderde willen zijn.

Vervolgens is het zinnig om oog te hebben voor de samenhang in je leven. ‘Het ontbreekt onze samenleving aan een concept van het leven als een geheel’, zei Erik Erikson. Dat is inderdaad een hachelijke notie, want ons leven is nu eenmaal geen gemakkelijke eenheid, integendeel. We zijn geen mensen uit één stuk. Die staan alleen op het toneel en het zijn meestal vreselijke mensen. Maar intussen is het wel zaak om na te blijven denken over waar je vandaan komt en waar je naar op weg bent. De vraag is dus welke oriëntatie je kiest in jouw leven. Bovendien hebben Goethe en Nietzsche laten zien dat ouder worden ook inhoudt dat je de echecs uit het verleden kunt repareren.

Ten derde betekent ouder worden oog hebben voor de samenhang van jouw leven met dat van anderen. Onze neoliberale moraal van zelfbeschikking en niet-inmenging is veel te defensief. We zijn veel te bang voor paternalisme en dat de ander ons de baas zal spelen. We kunnen beter uitzoeken wat we voor de ander kunnen betekenen en meer verantwoordelijkheid voor elkaar nemen. Laten we niet worden als diegenen die even weinig oog hebben voor hun voorgeslacht als voor hun nageslacht, omdat ze kost wat kost zelf aan de top willen eindigen – waar het altijd koud en eenzaam is.

Tenslotte moeten wij de kunst van het sterven opnieuw leren, een vroegchristelijke en middeleeuwse kunst: ars moriendi. Wij zijn heel erg slecht in het aanvaarden van de eindigheid, terwijl alles maar dan ook werkelijk alles in ons leven eindig is: de kindertijd, het ouderschap, de liefde, vriendschap, kennis, werk, geld en zelfs roem. Dat betekent voortdurende rouwarbeid en de kunst van het opnieuw beginnen. Aan het werkelijke levenseinde staat de dood. Wie willen we geweest zijn? Wat willen we aan onze geliefden, aan andere mensen, aan de aarde nalaten? Als we weten waarom we geleefd hebben, kunnen we ons des te beter verzoenen met de dood.