Chronologische tijd is minder van belang dan we denken
Name: Jan Baars
Functie: Hoogleraar Gerontologie en Filosofie van de mens- en maatschappijwetenschappen
Departement: Filosofie. Tilburg School of Humanities
Onderzoek: Filosofie van de tijd
“We zijn gewend geraakt aan het idee dat ouder worden bepaald wordt door leeftijd. Maar die dimensie van denken kent veel beperkingen; er zijn nog veel meer aspecten die daar een rol bij spelen. Uit het feit dat onze levensverwachting zich in de laatste 150 jaar heeft verdubbeld, valt al afte leiden dat leeftijd geen duidelijke rol speelt. Onderzoek heeft uitgewezen dat ook in Nederland opleiding, levensstijl, woonomgeving en soort werk aanleiding geven tot enorme verschillen in gezonde levensverwachting. Ik houd me bezig met de filosofie van de tijd. Mijn onderzoek naar zingeving omvat zowel fundamentele filosofische vragen die voortvloeien uit ons leven in de tijd, alsook belangrijke actuele kwesties waarin concepties van tijd een fundamentele rol spelen. Wat dat laatste betreft richt ik me sinds meer dan 25 jaar op discussies over ouder worden, in de politiek, maar ook in de biologie, psychologie en sociale wetenschappen. Daarin spelen verschillende concepties van tijd een rol, maar ze worden gedomineerd door een specifieke vorm: chronologische tijd. In onze maatschappij en in de politiek draait de discussie vooral om de kosten van zorgvoorzieningen en pensioenen. De zorg gaat voor een belangrijk deel gebukt onder een dominantie van denken in een chronologische tijd die zich gemakkelijk laat omzetten in kostencalculaties. Daardoor ontstaat een cultuur van tijdsbudgetten die ambivalente effecten heeft voor de kwaliteit van de zorg. Maar ook het debat over pensioenen beeft te lijden van de dominantie van het denken in chronologische tijd, in dit geval leeftijd.
Het idee dat beleid dat zich richt op leeftijden rechtvaardig zou zijn, veronderstelt dat elke werkende met dezelfde belasting en slijtage wordt geconfronteerd en dat deze gel ijkmatig toenemen met het stijgen van de chronologische leeftijd. Deze generalisatie is gebaseerd op de situatie in de negentiende en vroege twintigste eeuw, toen mensen onder zware levensomstandigheden werkten en maar relatief zelden hun pensioen haalden. Dit zware werk komt nog voor, maar de verschillen in werksituaties zijn veel groter geworden. Daardoor levert op leeftijd gebaseerd beleid meer problemen op dan het oplost. Hierbij komt dat de politiek vooral opereert met een perspectief dat gevangen zit binnen korte chronologische (verkiezings) termijnen, waardoor ze fundamentele problemen te vaak uit de weg gaat. Kortom, de chronologische benadering van tijd heeft veel praktische voordelen maar is te dominant geworden, waardoor mensen andere vormen van tijd uit het oog verliezen. Een uur kan als enorm lang en als heel kort ervaren worden. Ook ons geheugen werkt niet primair chronologisch: een gebeurtenis uit het verleden kan helderder voor de geest staan dan iets wat gisteren is gebeurd. Dat geldt ook voor het collectieve geheugen. Bij zingeving is het cruciaal om de ervaring van tijdsduur te bevrijden van de eindeloze en onverschillige chronologische tijd. Er is veel belangstelling voor dit fundamentele onderzoek; er komen uitnodigingen van universiteiten over de hele wereld. Ouder worden verdient het gedacht te worden vanuit zingeving in een eindige tijd, waarin het gaat om unieke personen die leven in een tijd die rijker is dan haar chronologische meting.”